De gegijzelde werknemer

0 Flares 0 Flares ×

Met een concurrentiebeding verbiedt de werkgever de werknemer kortgezegd om na het einde van het dienstverband voor korte of langere tijd als zelfstandige te werken of bij een ander bedrijf in dienst te treden dat gelijke of soortgelijke activiteiten verricht als de werkgever. In een krappe arbeidsmarkt zijn goede werknemers schaars. Je ziet dan het verschijnsel “koppen snellen bij de concurrent”: mede-ondernemers die proberen je waardevolle krachten weg te kopen. Werkgevers proberen dit in de praktijk te voorkomen door het opnemen van een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst. Het is de vraag of een werkgever een concurrentiebeding kan overeenkomen met als enig doel om de werknemer aan zich te binden. Werknemers vinden uiteraard van niet en voeren vaak aan dat zij door het concurrentiebeding in feite worden gegijzeld.

Op verzoek van werknemer kan de rechter een concurrentiebeding na een belangenafweging geheel of gedeeltelijk ter zijde schuiven indien de werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld.

Een voorbeeld uit de praktijk. Werknemer is in dienst van een bewindvoeringskantoor in de functie van bewindvoerder. In de arbeidsovereenkomst staat een concurrentiebeding dat werknemer verbiedt om zonder voorafgaande toestemming gedurende twee jaar na het einde van het dienstverband binnen een straal van 30 kilometer werkzaam te zijn bij een concurrerende onderneming. Werknemer neemt ontslag en treedt kort hierna in dienst bij een grote concurrent van de werkgever binnen een straal van 30 kilometer. Werkgever start een kort geding bij de kantonrechter en vordert nakoming van het concurrentiebeding en een voorschot op de contractuele boete. In de procedure vordert werknemer schorsing van het concurrentiebeding omdat hij daardoor onbillijk wordt benadeeld. De kantonrechter in Almelo wijst de vorderingen van de werkgever af en schorst het concurrentiebeding. Werkgever gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt in de uitspraak van 24 september 2019 dat een concurrentiebeding bedoeld is om de knowhow en goodwill (waaronder klanten) van werkgever te beschermen. Het beding is niet bedoeld om werknemers te binden. Dat een werknemer bij zijn vertrek kennis en ervaring die is opgedaan bij zijn werkgever ‘meeneemt’ is inherent aan zijn vertrek. Dat de nieuwe werkgever profijt heeft van de kennis en ervaring van de werknemer is inherent aan het in dienst nemen van een werknemer met kennis en ervaring. Het concurrentiebeding biedt geen bescherming tegen het vertrek van een ervaren werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij de concurrent, maar alleen tegen de aantasting van knowhow en goodwill door zo’n overstap. Van zo’n aantasting kan sprake zijn als de werknemer door zijn functie op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie of van unieke werkprocessen die hij bij de concurrent kan gebruiken of als het risico bestaat dat hij klanten meeneemt naar de nieuwe werkgever. Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de kantonrechter en beslist dat het enkele feit dat de werknemer bij een concurrent in dienst treedt geen belang is dat door het concurrentiebeding wordt beschermd. Werknemer beschikt niet over concurrentiegevoelige informatie en het is niet aannemelijk dat hij de opgebouwde knowhow en goodwill zal aantasten. Volgens het Gerechtshof is het belang van werknemer om te worden ontheven van het concurrentiebeding groter dan het belang van de werkgever om het concurrentiebeding te handhaven. Werknemer heeft belang bij een vrije arbeidskeuze en bovendien kan hij in de nieuwe baan zijn positie verbeteren.

De conclusie is dat het concurrentiebeding kan worden gebruikt om te voorkomen dat een werknemer bedrijfsgevoelige informatie en klanten meeneemt naar de concurrent. Een concurrentiebeding kan niet worden ingezet om daarmee de werknemer te binden.

0 Flares Twitter 0 Facebook 0 LinkedIn 0 0 Flares ×